Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Speelnootjes syd ik lest een rys,
Wat u lust, my schort Dom’nees vleys:
Monsr.
Wist ik dat sy my hebben wou
Ik vlyde nog een maant op trou.
- - - - - - - -
Haestlyk had ik heen gevaaren,
In sijn balg maar och ik dogt,
Klare soud het trouwer klaaren,
‘t Had haar aard wel ondersogt.
Maar ik leer te laat met schande,
Dat sy was een eerloos vel,
Vertel jong en onberade
Oorsaak van myn aartsche Hel,
Sy my minnen! blaauwe boonen!
‘k Sterv’ so sy ‘t ooyt had in ‘t sin,
Haar doortraptheyt sogt te troonen,
Myn onlesselyke min.
Ach wat lopt’er op het trouwen,
Nog so luwde vry myn leedt,
Hadse my niet aangehouwen,
Doen ik wod het end bescheet.
Doense syd jou ziele strooper,
Ongesien kan nog geschien,
Wort gy eens een overlooper
Eeuwig min ‘k geen Constantis.
Ia ik mag ‘er niet om denken,
Gooden loon myn Hylig regt,
Wilt my trouwer liefde schenken,
Sy beproev’ een rouwer knegt,
- - - - - - - -