Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Ach! wat is ‘t mottig werelt moy?
Dat heden bloeyt is morgen hoy.
Monsr.
Een schoon, en ryk, en hof’lyk dier,
Is al de werelt op een sier.
- - - - - - - -
Om een of,
Te pluycke oft tontloose,
Was dat Ick by my Verkoos
Te keere tot die stam
Al waar ick quam
Besagh ‘er spruytje onder die een roos,
Die my geviel wel
Noem en noen en dat
Gy zyt myn engel
Spruytje naast dit blat
Ick Voel
Gewoel
Veranderingh,
By mijn
Wat magh zijn
Dat mijn Engel wegh gingh.
2 Mijn engel
Mijn tweede ziel en leeven
Die in dese bogert sweeft
Op bey eer Doetjes gau
Soo dat sy nau
Het kruytje kruckt ‘t uyt aart zyn Voetsel heeft.
Ia soo snel
Mijn oogh most haar begeven
- - - - - - - -