Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Wel wat mient deyse bontekray?
Na Pampus toe jou malle kay:
Monsr.
Wat is een Truy allien an ‘t strant,
Een koe in see, een vis op ‘t landt.
- - - - - - - -
Wie kan in minnegloedt,
Sik onbezoedelt spaaren?
O kuyshydt Hylich goedt!
Hoe sucht gy onder ‘t Hitzen
Verlaat de geest de spitzen
Straks houdt het vleesch het veldt,
Wel saalig die in ‘t titzen,
Na ryner zyden Hellt!
O Maagdom in u ryen,
Dat stoockt er wint en weer!
V knopjen af te nypen,
Het topjen van u eer,
Die op de gylsteen slypen,
Die smert te laat dit zeer.
Wat sweep om u te bannen:
O gylheyt dertel wicht,
Wat zyn der braave mannen,
Doornaagelt met u schigt!
Hy mag de kroon wel spannen
Die speenen kan ‘t gesicht.
‘t Gezicht om te begeeren,
‘t Gelonk om het genot,
Hy kan dit euvel keeren,
- - - - - - - -