Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
Elk wagt sijn scheen ik staa te dier,
Een ambagts-gast of winkeliet.
Monsr.
‘k Had eer’ een vlieger met een tou
Nu soek ‘k een vlieger met een vrou.
- - - - - - - -
De wis visscher trekt als ‘t nopt
Ik doe nog veel knapper oopen,
Als myn toeverlaatje klopt
Kneukje mag privaat nu loopen,
‘k Laat my ook niet licht bekoopen,
Om een appel, om een ey,
‘k Mott al eent par cent uytwinnen,
Anders is ‘t maar mottig minnen
Is hy hy ik ben een zy
‘k Moet eerst al na Amstelveen,
Nu na Diemen dan na Slooten
Op zijn dikke buydel heen,
Die oyt ‘t bikken had verdrooten,
Smaakte noyt het pit der nooten
Savonts slentren in de stadt,
Na de koek of poppekraamen
Nimmer docht ik my te schaamen,
Hem ‘t ontpracchen dat graag hadt.
Kan hy soo ses maanden uyt,
Door ‘t luylekkerlandt der boeren,
Dan ter wagen nu ter schuyt
Zonder stek of sucht my voeren,
Daar luchthart op gaat koekloeren,
Knapt hy gaartjes tot syn loon,
- - - - - - - -