Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
O goedt! ô staat! o schoon!
Hoe mager is u loon?
Monsr.
‘k Min dien ik eeuwig minnen moet,
Een stil gemoet het hoochste goedt.
- - - - - - - -
Daar Pan voor ons wil staan,
Als Vaader voor sijn kinderen,
Verpynt u te verklynen,
Oneyndig blijft gy sijne,
Stop toe de pot.
Dit dreef ‘er boven in de Geest
‘t Was beter had ‘t wat deegs geweest,
Ik gunde ‘t maar een snipken tijt,
Doet oock so kort is d’ydelheit.
Noch eens.
Eet geen vergif met bakken vol,
Een siertjen rekt het leven,
Leeft so met een apen-rol,
Het kan je voordeel geeven…