Van die Iuffr. en Monsr.
Iuffr.
‘t Is dogters deugt, afkeerigheyt,
Preutsheydt en onbarmhertigheyt.
Monsr.
‘t Is sepers wis dat ik haar meen,
Broek ‘k vrees so voor een blaauwe scheen.
- - - - - - - -
Dat het Hof met hooftseer vint
Leert natura queelen,
‘t Pluym gedierte op ons’ lant,
Dat sig op ons’ dakje plant,
En strooyt uyt sijn nesje,
Ons een geestig lesje.
Koning.
Koninglyke Herderin,
Hoort myn bitter smeken,
Herderlyke Koningin,
Laat u hertje weken
Of u aarselend gesigt,
Eens ontstraalde liever ligt,
Staf en kroon en leven,
Wil ik voor u geven.
Gal.
Weerde voogtschap hoog van magt
Troosteloose Koning,
Vwen wensch hier niet verwagt,
Deyst weer na u wooning,
Daarmen met ondanck-baarheydt,
Honing sonder smaak versmyt,
- - - - - - - -