Stem: Eerste Carileen.
Ach Iupijn!
Wie teugelde myn sinnen?
Dat ick op een linckers eedt
Het knopjen van myn eer,
Smeet reukeloos neer,
Daar ik ‘t fier maagdetje beter had besteedt,
Wat een pyn!
Past op ‘t onwetlijk minnen,
Al de werelt laght my uyt,
Voor een vuyl van de min
Foey my sottin,
- - - - - - - -