Stem: In ’t Huysje zonder glazen. DOe Oranje zich met Spanje Had vereenigt door de Vree, Trok het moedige Brittanje ’t Oorlogs-lemmer uyt de schee, Hy dreygt den dapperen Leeuw En den bequame Zeeuw, Hy stroopt verwoed Des Koopmans goed, En ’t Bloed van Wees en Weeuw. En Haar Hoofd verslind de bladen Door d’Inlandse Kryg en Twist, Die haar in Konings bloed dorst baden,
Gaf zich een coleurde mist, De Schepen Zeylen weer en werf Van ’t Leven in ’t Verderf:
Het Neerlands Bloed Heeft Lijf en Goed En Visschers in haar Erf. En hier toe voert hy op sijn Kusten Magt van Schepen by de Zee, Dreygt den Leeuw sijn zoete lusten, En verdoemt ons goede Vree; Nu leest men in de Courant Hoe dat in Amstelland Een Vloot leyd ree, Om gaan ter Zee Na Spaans of France Straat. En onse Vloot in Zee gekomen, Vind hem nauweliks buyten Gaats, Heeft een Zeeuws Fregat vernomen, Die ons preyde van veel quaads: Dus sent ons Commandeur Al onse Schepen veur, Op de Zeeuwze Kust, Hoe dat men wust De Staten haren keur. d’Onse en Zeeuw met dertig Kielen Voor de Hoofden Kruysten doen, Vol gepropt met Oorlogs-Zielen, Kruid en Loot zonder rantzoen: Ons Admiraal die zwaayt, En is op Ly gedraayt, Hy schiet een schoot, Siet uyt de Boot, De Bloed-vlag waayd. En na ’t Pitsjaarden draaft de Ruyter, Met sijn houte Paard de Zee, En terstond daar op besluyter Waar hy goede dienst mee dee: Maar even soo ’t geviel, Te Pleymuyen in de Kniel Sien wy daar Maat Een Cameraat Die ’t op ons dragend’ hiel. Wy belust met haar te Kooten, Stouden Kist en Koy om leeg, Vingen Ree en Mars-Zeyls schooten,
Smeten schenkels uit de weeg, Wy rukten ons schut te boord, Terwyl men roepen hoord, Gebed, Gebed, Een ieder zet Sig neder op dat woord. En ons Capitein verheven, Na ’t Gebed ons vragen doet, Of een ieder is genegen Om te wagen Lyf en Goed? Men Antwoord, ja: des doet Ons Luitenant vol moet Op alles acht, De Stuurman lacht, Matroos loopt als verwoet. Boots en Schieman roept, t’sa Jongen Brengt ons bouts en Rebants op, Daar word Gentilman gesongen, Heyst u Mars-Zeyls in den top, Ons Constapel terstond, Brengt Kruithoorens en Lond, Ons Korporaal Brengt Loot en Staal, En Bylen uit het Rond. En ons Admiraal vol tooren, Op sijn Schip vol schut, Tergoes, Groet sijn Vyand na behooren, Brengt het op sijn Duits avoes, ’t Was uit geen glas of schaal, Maar donderend’ Metaal, Haar een Banket Wierd voor-geset, Van Pulver, Vuur en staal. Hier op wakkert fluks een koeltje, Zy en wy die wenden net, Dus men haar op ’t Hollands stoeltje Noch eenmaal te kakken set, Men gaf zoo dapper vonk, Een van haar Schepen sonk, Een brand, een sprong Met Oud en Jong, Gins stoot een tegen strand.
d’Avond-Son verhuyst na ’t Noorden, Verlicht schaduwe en schim, De Nacht verduystert ons de boorden Van de zwoele Zuyder kim, Dus hindert ons de nacht, En daarom wierd de Wagt Weer Uyt-geset, En ’s Morgens met Den dag haar komst verwagt. Maar de Suffer nijpt sijn ooren Dicht by ’t hooft, en druipstaart heen: Dankt den Schepper van hier boven Samen voor gesonde Leen: Treed aan in ’t gemoed, Valt uwen God te voed, Singt sijnen Lof, En roemde daar of, Gelijk als David doet.
Wel op dan fiere Nederlanders, Maakt vry Wapen-tuygen Want, Takelt toe, Schepen en Branders, En beschermt uw Vaderland: Avoes daar op dees kleur, Wy drinken daar eens veur, Tot een besluyt, Een trooytje uyt, Ey spoeld de Rook eens deur.
Cookies on Poetry Cove