Stemme: Onder de Boomen. Vryer. Onder de Boomen, Aan de zilte Waterkant, Daar zag ik dikmaal mijn Engel komen Gingen ’t zamen hand aan hand Langs dese stroomen. De Nachtegale Singt met soo een zoet geluyd, En d’and’re Vogeltjens al te male Queelen ’t lof van mijne Bruyd Met zoete tale. Onder de Bomen, Langs den Hagedoorn heen, Daar sie ‘k mijn Lief Antonette komen, ‘k Ga haar vriend’lik tegen treen, Wat wil ik schromen? Ach! mijn Beminde Laten wy eens t’samen gaan Al onder dese groene Linde, In de reuk van Bloem en Bla’an Vermaak te vinden.
Vryster. Souden wy treden, Door het nat-bedaude gras, En handelen daar van zoete reden? ’t Komt op heden niet te pas, Wandelt in vreden.
Vryer. Mijn Antonette Weest op my toch niet soo stuurs, Ey! wilt eens op u Dienaar letten; Want mijn boesem is vol vuurs, Niet te versetten.
Vryster. Neemt u Godinne Leonora by der hand, En stelt op haar u verliefde sinne, Blust daar aan u heete brand, Uyt regte minne. Vryer. Weest niet vol tooren, Oordeelt met een rijp verstant,
Ik zweer dat Juffrouw Leonore Nimmer tot de Huweliks-band My sal verkoore. Vryster. U zoete vlyen Dat en acht ik niemendal, Gaet heen wilt Leonore lyen Na u eyge welgeval, Wilt van my scheyde. Vryer. Venus Godesse Sent uyt u Yvooren Throon, Cupido met sijn Minne-lessen, Dat ik krijg tot mijnen loon ’t Beeld van Cypressen. Vryster. Roept vry om hooge Al de groote Goden aan, Soo werd ik noyt door u klagt bewogen U tot minnaar te ontfaan Gy zijt bedrogen Vryer. Ik zal u eeren, Eeuwig als een Aards Princes, Mijn sinnen zullen noyt verkeeren Ach! volmaakte Min-godes, Wilt my niet deeren. Vryster. Neen, neen u reden Daar steekt geen bekooring in, Gaat heen gy zult in eeuwigheden Krygen noyt mijn weder-min, Noch Maagde-leden.
Vryer. Soo wil ik klagen Eeuwig aan de groote Goon, Tot dat men my in ’t Graf sal dragen, Om mijn Antonette schoon, Die ‘k ga mishagen.
Vryster. Wilt gy my zweeren Dat gy Leonora dan In eeuwigheyd niet sult begeeren, Soo neem ik u liefde an, In deugd en eeren.
Vryer. ‘k Zweer by de Goden, En by Venus Elpen Throon, Ja Lief den Hemel moet my dooden, Soo ik breek mijn Liefs geboon, Als een snooden.
Vryster. Volbrengt u lusten, Ja volbrengt al wat gy wilt, Voor eeuwig zult gy by my rusten; Nu is al ons klagt gestilt, als gy my kuste Vryer. ‘k Dank Cipres bengel, Lief ontfangt van mijne hand, Al met een minnelik gestrengel, Dies mijn fijne Diamant, Ach soete Engel.
Cookies on Poetry Cove