Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Stemme: Als ’t begint. JUpiter die is’er met toorn ontsteken, En met gramschap groot, De Hemel, de Wolken wil hy doorbreken, ’t Aardrijk barst door nood, Mars die slaat al dood, Sijn fury hy verwekt, Sijn mantel hy aan trekt, En met bloed bevlekt. Mercurius die wierd van Jupiter gesonden, ’s Hemels Boode snel, Om aan Juno te gaan verkonden Der Goden bevel, Dat hy sijn Geesten snel Ontbieden met’er daat, Sijn fury hy aanslaat, En te Velde gaat. Maar Juno wilt u toorn staken, Neygt de Goon tot Vree, Eer dat wy alle verlooren raken, Mars bedaard doch mee, Het Zwaard houd in de schee, En verwe niet meer rood, Noch hebt in ’s menschen dood, Geen Liefde groot. Den tijd werd ons gejont, Vrede voor twaalf Jaren, Onder Belgica schoon, De seventien maagden sag men vergaren Onder de Spaanse Kroon, Met blyde Sang en Toon, Songen sy breed en wijd, Vrienden te samen zijt, Met ons verblijt.

Triton die blaest op sijn Kinckhoren, Die ’t al beven doet; Niptunis die steeckt sijn peert met sporen Hy maeckt de Zee vol bloed, Vermengelt en ontstelt Door Rovers groot gewelt Hy den Zeeman quelt. Maer laes! Saturnis is komen maejen Al Pans vruchten siet, Fortuyn die doet het rat wel anders draejen; Den koopman vliet, De konsten acht men niet; Den Ambachts-man die sucht, De Landtman door ’t gerucht Van vreese vlucht. Trommelen, Trompetten, schieten en waken, Al twist en discoort, Roven en spoeljeren, branden en blaken, Doodtslagen en moort, Anders men niet hoort Dan droefheyd en verdriet, Elck een door armoede vliet, ’t Gaet al tot niet. Bellona die heeft de Wapens aengenomen, Het hooft staet heel verdraeyt; Om te verderven is Ceres gekomen ’t Geen dat ‘er was gezaeydt, Klodius vuur dat leydt, En Bacchus boose beest De Lucht vervult met Pest In elck Gewest. Aenhoort mijn woorden, aanvaert mijn reden Ghy Batavieren quaet, Sullen dees plagen noch niet vertreden Uwen boosen haet; Charons Schip vergaet Door al te zwaeren last; Want sullen wy vast ter hellen tast. De Tempel van Janus is weer ontslooten, Vrede wert versaegt, Dwingelanden schichten zijn al verbroken, Liefden wort beklaegt,

Mars komt vaak voor den dag, En maekt een groot geklag Stelt Zee en Land in roeren, Van Burgers ende Boeren.

Vidius die draegt Haer boosheyd en fenijn Vol angst en vreese zijn, ’t Volck in lijdens pijn.

EYNDE.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.