Stem: Nu Onlangs geleden. LEstmaal twee Gelieven, Buyten Ouders raad,
Schreven Minne-Brieven, Hoe de Liefde staat, Ja hoe Cupidootje, ’t Kleyne Minne-Gootje, Haar gewondt had beyde gaar, Door sijn felle schootje, Waren s’ in gevaar. Na veel Minne-treken, Quamen sy by een, Om malkaar te spreken, ’t Was of daar verscheen Paris met sijn Venis, Die meer als gemeen is, Hy kusten haar roode mond, ‘k Dagt die soo in ’t Veen is, Schroomt geen modder-grond. ’t Was voor Moeders deurtje, ’s Nachts omtrent ten Een, Ik sag door een scheurtje Van mijn Venster heen, Hy begost te sollen, Sy te knikkebollen, Of se van haar selven viel, ’t Scheen hy wilde hollen Met sijn Tweede Ziel. Borsjes wel besneden, Die ontkleeden hy, Doe sprak sy, mijn leden Die behagen dy, Ja mijn soeten Engel, ’t Disje aan mijn hengel, Dient gevangen als het bijt, Komt (zeyt sy) mijn bengel, ’t Is dan meer als tijd. ‘k Had pas op-gekeeken, Of mijn Buurmeyd viel: ‘k Hoorden niemand spreeken, ‘k Docht by Lijsjes ziel, Och hy zalje moorden, Toen ik niemand hoorden, ‘k Schrikte van de stoutigheyd, ‘k Riep met zoete woorden, Spaard, ey spaard de Meyd.
‘k Loof hy ’t niet en achte Al mijn soet geroep: Dus riep ik vol magte, In ons Buurvrouws stoep: Moord en Brand van beyden, Lieve helpt doch scheyden, Elk een quam voor den dag: Maar hy niet en beyden Tot men menschen sag. Yder was vol wonder, Van dees moord en brand, Die ons Buurmeyd onder Droeg in ’t ingewand, Och! daar quam haar Moeder, En haar lieve Broeder, Vonden daar den mantel ras, Die als tot Behoeder Van haar leden was. Yder die mag dinken, hoe de Juffrouw voer, Bloed, hoe moest het kinken Met haar lieve Moer: Wel ik laat haar janken, Maar sy mag bedanken My wel voor het groot geroep Dat geen steen of planken Braken in haar stoep. Oorlof zoete Dieren, Die voldoet u sin, Gaat doch na manieren, Neemt een kamer in, Soo sal niemand roepen, Moord en Brand in stoepen: Dus soo blijft gy by u eer, Als’er na dit snoepen, Niet en volligt meer.
EYNDE.
Cookies on Poetry Cove