Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Stemme: Nova. ANakreon, Anakreon de Digter, Was menigmaal heel vrolick by de Wijn, En als hy dronk, soo wierd sijn geest veel ligter, En Poësy most sijn vermaak dan zijn; Dan bond hy ’t Hoofd met Bloeme-kransen, En uit sijn mond Vloeid’ in een korter stond De soetste Lekkery Van Praat en Poësy.

Gelukkig zijn, gelukkig zijn Poëten, Die niet altijt van Muzen en Apoll’ Maar altemet met Bacchus zijn beseten En door de drank van sijne godheid vol: De beste Wyn kan Digteren ontfonken, Dat zweert Tibul, Properts en ook Katul, Horatius al mee, Als hy Singt Evoë. O Negental, O Negental Goddinnen Houd voor u zelf de Bronnen die gy hebt, Ik wil altijd godt Bacchus vogt beminnen, Dat in mijn breyn een nieuwe geest herschept: Wie sijne sorg en droefheid af wil spoelen Met d’ Olden-hond, Word niet alleen gesond, Maar ook, gelijk men weet, Een Sanger en Poëet. Eynde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.