Stemme: Nova.
ANakreon, Anakreon de Digter,
Was menigmaal heel vrolick by de Wijn,
En als hy dronk, soo wierd sijn geest veel ligter,
En Poësy most sijn vermaak dan zijn;
Dan bond hy ’t Hoofd met Bloeme-kransen,
En uit sijn mond
Vloeid’ in een korter stond
De soetste Lekkery Van Praat en Poësy.
Gelukkig zijn, gelukkig zijn Poëten,
Die niet altijt van Muzen en Apoll’
Maar altemet met Bacchus zijn beseten
En door de drank van sijne godheid vol:
De beste Wyn kan Digteren ontfonken,
Dat zweert Tibul,
Properts en ook Katul,
Horatius al mee, Als hy Singt Evoë.
O Negental, O Negental Goddinnen
Houd voor u zelf de Bronnen die gy hebt,
Ik wil altijd godt Bacchus vogt beminnen,
Dat in mijn breyn een nieuwe geest herschept:
Wie sijne sorg en droefheid af wil spoelen
Met d’ Olden-hond,
Word niet alleen gesond,
Maar ook, gelijk men weet,
Een Sanger en Poëet.
Eynde.