Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Stem: Ach Helena, & LIefste gy zijt ongestadig, Gy hebt een hertje gelijk een steen, Ik getrouw, maar gy ongenadig, Dat en komt niet over een; Philida gy moet verkeeren, Of gy moet wat veynsen leeren; Maar een uurtje in een Jaar Wensch ik datje mijne waar.

‘k Heb u duysentmaal gebeden, En gy volgt my altijt na, Meenje dat ik ben te vreden Met een kusjen Philida? Daar most meer dan kusjes wesen, Woud gy my houden uyt vresen; Dit gequel is mijn verdriet, Gunt my meer, of gunt my niet. Kan ik dan geen troost verwerven? Sult gy altijt zijn soo wreet? Hebt gy lust om mijn ziel te tergen? Als ik dat maar van u weet: Houd dat stil in u gedagten, Ik sal ’t al van u verwagten; Wat sal ’t zijn, wanneer men hoord Dat gy T[..]er hebt vermoord? Moet ik dan om u gaan dwalen Over Berg, in Bosch en Hey Sugten, klagen menigmalen, Altijd droevig, nimmer bly? ‘k Sal tot eynde van mijn leven In een Wildernisse zweven, Indien ik niet, O Schoon Jonkvrouw, Genieten mag u waarde Trouw. En u tot mijn Vrouw be-erven, Want ik heb u lief en waard,

Of ik moet van rouwe sterven, En mijn lichaam raakt ter aard: Op mijn graf sal ik doen leeren Dat gy my hebt gaan verneeren, En zijt oorsaak van mijn smert, Gy hebt gedoot mijn brandent hert. Wel Princesse wilt doch keeren, Uw Dienaar valt u te voet, Siet hy gaat hem gantsch verneeren, Werpt heel weg u quaad gemoet, Wilt my U Dienaar erbermen, En verhoort mijn droevig kermen, Want ik ben door min versmagt, Philida ik troost verwagt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.