Stem: Och soete Kaatje.
PRincesse die mijn Ziel gebied, En sal ik nimmer werden niet U Verwinnaar, Ende Minnaar, Soo vergaan ik door verdriet. Ik smeek en vley, ik sugt en klaag, Maar gy verheugd in mijn geplaag; Na ik hoore, ’t Is verloore Wat ik doe by nacht en daag. Sal my noyt geen troost geschien? Soo wou ik dat ik noyt gesien Had u oogen, Die bewoogen My om u Min te bien. U Voor-hoofd als een pronk-altaar, Doen my verwonderen, als ik maar U Aanschouwe Schoon Jonkvrouwe, Och! dat gy mijn eygen waar. U oogjens die het stralend ligt Van Phebus tart, heeft hier gestigt Liefdens droesem In mijn boesem, Door het kleyne Minne-wigt. U kaakjes vol van Nektar-dou, Wiens Roosen-blos ik wenschen sou Af te rukken, En te plukken Door u weder-liefd’ Jonkvrouw. U lipjes rood gelijk coraal, U stem verdooft de Nagtegaal; Witte tanden, Blanke handen, ’t Schijnt albastert altemaal.
Godinne beeld waar voor ik kniel, Gy overheerst mijn hert en ziel, Naast de goden, U geboden Ik voor mijne wetten hiel. Ach! overdenkt hoe menig nacht Ik voor u Wooning hiel de wacht; Keek door ’t scheurtje Van u deurtje, Daar gy veel hebt om gelacht. Getuygen sal de silvere Maan Hoe menig rond’ ik heb gedaan, Om te vinde Mijn Beminde; Toch verlooren reys gedaan. Sal ik dan nimmer troost ontfaan? Soo moet ik laey! doolen gaan Om te varen op de baren By den zwarten Indiaan. Doch de hoop, de liefde voedt, Dat is het geen mijn blyven doet: Mijn vertrouwe is Jonkvrouwe Op ’t veranderen van ’t gemoet. Ik staak dan nu mijn droeve klacht! Tot dat het beter passen mag; Rast mijn schoone, ‘k Sie vertoone ’t Schoon lumieren van den dag.
Cookies on Poetry Cove