Stem: Als ’t Begint. LEstmaal als ik uyt wandelen ging, Ontmoete my een schoone Veld-godin Ik sprak haar aan met lieffelijke reen Ik sey, schoon lief waar wilt gy henen treen s’ Antwoorde my met goed bescheyd, Jonk-Heer tot wandelen ben ik bereyd, Buyten in ’t houd, al in het groene dal, Daar singt de Nagtegaal met bly geschal Ik en mijn Lief na haar begeer Spanseerden door het bos heen ende weer, Haar sneeu-witt’ handen en haar rode mont Die hebbe mijn jong hert so seer doorwont De Aard’ ontlookte door de geur, Nogtans so was mijn Lief van al de fleur Ik zey, mijn Engel, overschone Maagd, Mogt ik de Herder zijn die u behaagd. Juffr. Of ik u voor mijn Herder nam, En het was mijn Papa niet aangenaam Dan zou het zijn voor u een groot verdriet Want mijn Mama die zou ’t gedogen niet. Edel. Mijn lief vergunt my dit faveur, Dat ik het u Papa mag leggen veur, Hy en sal het my geensints tegen staan, Het sal u Mama ook zijn aangenaam. Al door mijn groote qualiteyt, Sy zullen daar in wesen verblijd, Dat ik u Ouders aan doe dese eer, En vragen haar na u Godinne teer. Juffr. Die reden zijn maar ydelheyd, Waar door so menig Godin word verleyd, ’t Is aan andre Herders wel gebleke schoon Die by de Goden zwoeren uyt den Troon. Edel. Mijn lief vertroud gy dat op mijn Dat ik een vals Minnaar van u zou zijn? Liever had ik dat Mars quam uyt den Throon, En my verplette voor u aanschijn schoon. Juffr. Monsieur al door u zoete min Hebt gy verkregen mijn hert na u sin, Daar is de Trouw al tot een onderpand Daar op gaf hy sijn schoon Godin de hand
Edel. De Goden quamen uyt den Throon, Waren verblyd om onse Min zeer schoon, En de Godinnen zijnder in verheugd, Laat ons nu t’same maken groote vreugd. Ik embrasseerde haar met vreugd, Ik zey, Mami nu is mijn hert verheugd, De Goden al speelden met bly geschal Dat ‘et klonk door het heele Aardse dal. De Maagden en de Nimphjes schoon Vereerden daar de Bruyd een goude kroon,
Doen was het daar vol zoete Melody, De Nimphjes al waren daar over bly. Als dese vreugd nu was ten end, Gaf ieder een de Bruyd een schoon present, De Goden al namen een goed afscheyd, Wensten haar geluk in der eeuwigheyd.
Cookies on Poetry Cove