Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Stem: Lestmaal twee Gelieven. LEst ging ik spanceeren In de Uyle-vlucht, Want ik hoorde geeren d’ Een of d’ ander klucht: ‘k Ging door straat en stegen Langs de stille wegen, Maar ik hoorde geen gewag: ’t Was al over negen, Wanneer dat ik sag Twee Dienstmeysje komen, Gaande met malkaar Onder by de bomen Daar ik ontrent waar: d’ Een die zeide Grietje, Dat was Angenietje

Wel hoe vaarje in jouw huur? ’t Is heel wel, sey Grietje; ’t Valt ‘er my niet suur. ’t Is het eerste Jaartje Dat ick heb gewoont By een Wewenaartje, Die my wel beloont: ‘k Dagt noyt van mijn leven Dat het soo kost geven Als men soo wat buiten wind, ’t Staat niet al geschreven Hoe ’t een Meysje vind. Seker Angenietje g’ Hebt my wel geraan; Maar hoort lieve Grietje ’t Stond my wonder aan, d’Aldereerste weeke Quam Sinjeur gestreeke, En hy zeide Angeniet ‘k Heb u eens te spreken; ‘k Dagt wat dit bediet. Daar is een Ducaatje, Koopter iets wat voor, Hy ley daar een praatje, Ik zey dank Sinjoor: Na een twee drie dagen Quam hy weder dragen, En bracht my twee strikken reyn; Maar ik dorst niet vragen Of het fijne zijn. Dit was soo vier weken Dat hy nu en dan My heeft toe gesteken, Dat ik al nam an: Kousen, Schoenen, Rokjens, Och hy haddet drokjes, Met een Kapje, zwarte Tip: Ik ging maken Lokjens Als een Venus-knip. ‘k Heb my alle dagen Moytjes op geset, Dus komt het te slagen

Soo ik maak het Bed, Dat hy komt geslopen Vind mijn boesem open, ‘k Maakten om de leus gestoey, ‘k Wou het niet ontlopen, Want ik wierd niet moey. Dat was ’t eerste reysje Lieve Angeniet, Maar sint die tijd Meysje, ‘k Loof je mijn wel siet, ‘k Heb al overwonnen Honderd Ducatonnen; Want Sinjoor heeft my besint, ‘k Sal ‘t nu stellen konnen Seker soete kind. Ja soo moet men ’t halen Lieve soete Griet, Als men pronken, pralen Wil, en hebben niet: ‘k Salje eens verklaren Hoe ik ben gevaren Mijn Meester die heeft een Wyf Die wat oud van Jaren Is om tijd-verdrijf. ’t Is nu wel drie Jaren Dat ik by hem woon, ‘k Wilje wel verklaren Dat ik menig Kroon Wel van hem ontfinge, Strikken goude Ringe, Alderhande Frayigheyd, ‘k Salje eens mijn dingen Laten sien, O Meyd. ‘k Quam lest eens gelopen Boven op ’t Cantoor, Om hem af te roepen, Hy zey, Meysje hoor, Ik zey, Meester knapjes, Siet de Visch word slapjes, En Me-Juffer sit en wagt, Betraptse ons strakjes, Soo is ’t Spel verkragt.

‘k Kreeg twee Ducatonnen, En noch wat kleyn geld, Was ’t niet wel gewonnen, Als men het soo stelt? Weetje wel ‘k sal Trouwen, Om de twist te schouwen, Want het Wyf is half beus, ‘k Schijnt dat mijn Juffrouwe Half heeft de leus. Maar wie salje krygen? ’t Is een Super Kind, Maar je moet het zwygen, En Sinjoor bemint, Kan dan zomtijds komen, Dus is ’t voor-genomen, Och men doet veel om het goed, ‘k Heb dan niet te schromen, Want het is een bloed. ‘k Kost ’t niet langer hooren, En verdroot mijn ’t staan, ‘k Liet my van haar hooren, En ik sprak haar aan, ‘k Zey wel zoete Meysjens, Die soo menig reysjens Met je Meesters hebt gedaan: Maar die valsche preytjens Zijn toen voort gegaan. ‘k Docht en zwoer gans Kroonen, Gaat het soo aldaar, Als de Meysjens woonen By een Weewenaar, Of by groot Sinjoortjes, Draagt men soo de boortjes, Strikken, Quikken wat men siet, Komt dat van de boortjes, Weg dat dient my niet. Liever dan een Meysje In haar naakte Hembd, Die haar poesel Vleysje Niemand heeft geschend, Kuysheyd wil ik minnen, ‘k Ley ook eerst mijn sinnen

Aan een Meysje vol van pracht; Weg, weg Drommelinnen, ‘k Werk liever mijn magt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.