Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Op een Nieuwe en soete Voys. ’t SChijnt gy my nu gaat haten, En t’eenemaal verlaten, Vol Wispelturigheyd: Waar toe dient dit Clorinde? Of meent gy ik niet vinde Kan weer soo soeten Meyd. Of denkt gy hy sal treuren, Als ’t hem niet mag gebeuren? Ey! ’t is ‘er veer van daan: Wilt gy nu van my vlieden? Soo sal ik weer aanbieden Mijn gunst tot Deliaan. Is die dan mee af keerlik, Een aar is weer begeerlik, Daar zijn wel Nimpkjes meer: Ik kies al weer een ander, En ’t is ook best, soo kander Mijn hert niet af doen seer. ’t Zijn Sotten, en ’t zijn Narren, Die soo in min verwarren, Wanneer de Meyd verkeert Van haar voorgaande sinnen, Soo schijnt schier of van binnen Haar ’t ingewant verteert.

Garinter is de knecht niet, Hoewel hy soo wat slecht siet: O Neen! hoe schoone Vrouw, Hoe rijk of hoog gebooren, Niemand sal hem doen smooren Door Min in droeve rouw.

Hoe dikwils gaan ik treên langs Beek en groene Bomen, Op hoop dat daar myn Lief, myn Antonet, zal komen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.