Skip to content
1665

't Haeghse lapmantje, met het Amsterdamse vodde-wijfje

Anoniem

Stem: Liefste gy zyt ongestadig. L. ACh Helena! ach mijn waarde! Ach beheerster van mijn hert! Sult gy noyt mijn Trouw aanvaarden? Soo verga ik heel in smert: Ik sal al mijn jonge leden Haast in ’t duyster graf besteden, Soo gy mijn gesmeek belacht, En mijn Trouwe min veracht. H. Sagt Leander wilt niet klagen Om een Boerse Herderin, Wilt u liefde hooger dragen Op het weelig Hof-gesin: Hooftse Juffers konnen vleyen, Gaat wilt van Helena scheyen! Want mijn Vee is te gering Voor soo grooten Hoveling. L. Wilt niet op mijn grootsheid smalen d’Hooftse pracht is niet met al, ‘k Wil mijn grootsheid laten dalen By u schaapjens in de stal; ‘k Wil om u uyt goude schalen Noyt geen Hooftse drank meer halen, Maar veel liever by ’t geboomt ’t Water drinken dat’er stroomt.

H. Wat sou doch u Vader seggen, Als hy hoorden van ons min? Dat g’ uw Liefde had gaan leggen Op een slegte Herderin? Neen Leander komt niet nader, Laat my by mijn Oude Vader, Gaat gy weer ten Hove treen, En komt nimmer by Heleen.

L. ‘k Sal u uyt het Veld ontslaken, En in plaats van dese kle’en Uw een Edel Vrouwe maken, Gunt my weder-min Heleen; ‘k Sal u ooren laten streelen Met Muzijk en held’re keelen,

En veel Maagden sullen gaan, Die u steeds ten dienste staan. H. Met u wulpse vleyeryen Daar verslijt gy mee u tijdt, ‘k Sal my voortaan wel verblyen Op het geurig Veld-Tapijt, Daar mijn Beesjens haar gaan asen, Daar mijn Schaapjens haar gaan grasen ‘k Acht geen hooftse vleyery Maar een Herders soet gevry. L. Houd gy van geen Hooftse leven? Wel Helena ‘k ben te vre’en, ‘k Sal my mede gaan begeven Tot de slechte Herders kle’en; ‘k Sal met u door Bosch en Heyden Willig gaan de Schaapjens weyden, Ach! Volmaakte Herderin Gunt my slechts u Weder-Min. H. Hoe zou doch Leander passen Eenen Haselaren stok? Neen gy zijt niet op-gewassen Om te dragen d’Herders Rok: Maar met goud’ en zyde Kleeden Gaat verciert daar mee u Leeden, Laat my by het Vee gerust, Boet in ’t Weelig Hof u lust. L. ’t Is vier Jaren nu geleden Dat ik eerstmaal (schoon Heleen) By u in het Veld quam te treden, En heb steeds met Vriend’likheen U om weder-min gaan vleyen; En ik sal van u niet scheyen Voor gy my u liefde gond, Tot een vaste Trouw-Verbond. H. Wat zoud gy doch aan mijn hebben Als wat Schaapjens in de wey? ’s Nachts een huys vol spinne-webben? Dageliks dwalen door de Hey? Alwaar Cloris op sijn Fluytje Speeld Helena is mijn Bruydje, En gestadig op my past, Dat geen Wolf mijn Vee verrast.

L. Is dan Cloris u Beminden? Hebt gy Cloris dan in ’t hert? Gy zuld my niet weder vinden; Maar ik sal met peyn en smert Vlieden gaan, door Bosch en Hagen, Ja goede Pan ten veld uyt-jagen, Swerven aan de dorre strand Tot Leander is van kant. H. Wilt niet doolen om Helene, Wilt niet zwerven Boswaart in, Ik sal staken al u weene, Soo gy toond stantvaste min: Maar ik meenden al u vlyen Dat het was mijn te verleyen? Ach Leander! ‘k neem u an Voor mijn Lieve Echte Man. D. Ach! O Hemel wat een vreugde Komt in mijn gedagt’ en sin? Ach mijn Engelin vol deugde! Mijn Volmaakte Herderin, ‘k Geef aan u mijn ziel te pande, Daarom ontfangt in uwe handen Dees mijn Diamant op Trouw; Schoon Helena is mijn Vrouw. H. En Leander is mijn waarde, ‘k Neem u Trouw uyt regte min; Gy zijt al mijn lust op Aarde, ‘k Ben u Lieve Herderin: Eeuwig blijft ons Trouw-Verbonden, Swijgt nu alle laster-monden, ‘k Blijf voor eeuwig u bereyd, Tot de bleeke doot ons scheyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.