Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Op de wijse: En wilt my niet beschamen, &c. Ofte: Daer ick lagh en sliep. IEsu die u kan minnen, Verblijden al sijn sinnen Hy kan met u beginnen, De werelt te versmaden,

Hy kan in 't hert van binnen Alle dingh overwinnen, Door al het onder vinden Van u soete genaden: Geen haet is hem ontrent Geen nijdigheydt hy kent, Hy leydt een fondament, Dat niet en wordt geschent: Al komt hem kruys bejeghen, Hy blijft niet langh verlegen Hy overleydt daer tegen d' Eeuwighe vreucht, als 't kruys hier is ge-endt.

Hy laet hem niet bekoren, Al leytmen hem te voren 's Wereldts rijcke tresoren, En veelderley wellusten; 't Geen uyt u is geboren En laet hy niet versmoren; Hy stop daer voor sijn ooren, Van 't geen hem sou ontrusten: Hy acht de werelt niet, Dan als een wanckel ried; Want hy met oogen siet, Dat haren val geschiet; Dus soeckt hy zijn vermaken In vast bestaende saken, Die u en hem wel smaken, En die hy hier altijdt in 't hert gheniet.

Begint hy wat te dwalen, Ghy kond hem weder halen, En spreeckt met soeter talen,

Als een die gaet uyt vryen, Waer wilt ghy henen malen? En lijden soo veel qualen: d' Wereldt sal u betalen Met veel bedriegeryen, Aensiet mijn liefde soet Ontfanghts' in u gemoet: 'k En acht mijn eyghen bloet Voor u doch niet te goet, Wie sal u sulcks betoonen, Onder 's wereldts persoonen Als ick u wil beloonen Is dat ghy maer na mijnen wille doet.

V Princelijck behagen, Is dat wy in ons dragen V liefde t' allen dagen, Op dat wy eeuwigh leven Komt ons de werelt vragen: Wy mogen haer verjagen, En schouwen hare plagen Die sy aenbiet te geven, Wat wijsheydt datmen vint Van 's werelts aenbegin, Sy hebben doch hier in Gehadt al eenen sin, 't Sy heydensche Poeten, Apostels of Propheten, S' hebben ons laten weten Dat 's werelts vlucht ons brenght een groot gewin.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.