Op de wijse: Ick prijs u saligh Weven. DEn Moord-kuyl van de Grooten En dient niet wel ontslooten, Vermidts den grooten stanck: Nochtans om datse schijnen Te leven sonder pijnen, Begin ick desen sanck.
't Mocht anders hem toe-dragen En eenige behagen, Dat sy het aerdsch geluck Boven het Hemels setten, Nu siense hier de netten Van ongeval en druck.
Wy hoeven niet te spreken Van kleyne, die versteken
Zijn onder anders macht: Maer van groote Monarchen, Die boven Patriarchen, En Princen zijn geacht.
Alexander werdt verheven: Darius werdt verdreven, En Iulius vermoort: Pompius werdt doorsteecken, En Caius is bezweecken Door sijnen Raed, verstoort.
Romulus sach men kerven, Sijn Lichaem al in scherven, En Cyrus werdt onthooft: Cambyses viel ter eerde, Den steeck van sijnen zweerde Hem 't leven heeft berooft.
Hanibal vluchtigh zijnde, Hem selven verfenijnde, En Scipio, den Held, Werdt deur den Raedt gebannen, Hy scheen een man der mannen Doen hy noch streed in 't veldt.
Nero hem selfs verdede, Marcus Antonis mede, Comodus werdt gewoelt, Aureliaen' verslagen: Domitiaen de lagen Sijns vyandts heeft gevoelt.
Maximus kreegh bezwaren: Valens van de Bulgaren Werdt in een hutt' verbrandt: Decius is versopen: En het hooghmoedigh hopen Lucini, quam tot schandt.
Valeriaen' men vilde,
En Calacalla trilde Door de scherpheydt van 't zweert, En Diocliteanis Door sijnen eygen waen, is Geraeckt onder de eerd'.
Philip door sijn Soldaten Het leven moeste laten: Galvus, Volusiaen, En Galienus mede, Probus sach men ter Stede Van sijn Krijghsvolck verslaen.
Soud' men Sardanapalus, En Heliogabalus, Otto, Galba, Vitell', Phocas, en sulcke boeven Verhalen, 't sou behoeven Een al te langh vertel.
Doorleest alle Cronijcken De Prinsen van die Rijcken Zijn meest al om-gebracht: d' Een d' ander heeft vergeven, Gebannen, of verdreven, Van geslacht tot geslacht.
d' Erven van Alexander, Ptolomeus, Cassander, Seleucus, Antigoon' Malkanderen verslonden, Met steecken, ende wonden, Het rechte Wereldts loon.
Demetrius deed' wijcken, Wt de Syrische Rijcken, Antiochi geslacht; Dit saghmen weder wreecken, En van den bloede leecken, Des Konincks Purper-dracht.
d' Isr'elijtsche Koningen Meest al dien wegh in gingen: Nadab, Simri, Ella, Ioram, en Ochosias, Menahem, Sacharias, Sallum Pekahia.
Leontius verdreven Van Absimaer' die even Wert des gelijcks gedaen, Sijn neus wert afgesneden Van Iunior, die heden 't Rijck weder heeft ontfaen.
Hoe dickwils ist gebleken, Datmen sach fel ontsteken Den Vader tegen 't kindt; Het kindt tegen den Vader, Elck toond' hem als Verrader Al om het aerdsche bewint.
Simm'ramis haer man doode Met een voornemen snoode: Irene Keyserin, Beroofd' haer Soon de oogen: Athalia door-togen Vernield' haer huysgesin.
Tulia haer Vader moorde, 's Gelijcks men noyt en hoorde, Reed over sijn Lichaem: En Senacheribs Soonen Gelijcke wreetheydt toonen, Tegen haer Vader t'saem.
Keyser Henrick de vijfde Sijnen Vader verdrijfde; Als Absaloms verraed Andronicus deed' wijcken Sijn Vader, desgelijcken
Geschiede Metbridaer.
Abimelech zijn broeders Liet dooden, als de Hoeders Van 't Turksche Rijck noch doen, Die al haer Broeders worgen: Dus is dien staet vol sorgen, En alle quaedt vermoen.
Haer Proevers en haer Schenckers Sijn dickwils meest haer krenckers, Die met den Hoofde bloot Door haer stuypen en nijgen, Die koocken haer de Vijgen, Of brengense ter doodt.
Een Paus zijn Cardinalen Wou met Fenijn onthalen, Maer dien aenslach was mis: Want hy kreegh self den beker; 't Is wonder hoe onseker 't Leven der gooten is.
Een Koningh wou uytbeelden, 't Perijckel van de weelden, Hingh een zweert boven 't hooft Van eenen in wellusten, Die niet en konde rusten, Van alle vreught berooft.
Een ander seyd': die Kroone, Al stondtse daer ten toone In 't midden van de straet: Niemant en souds' aen-tasten, Indien hy wist de lasten Van desen hoogen staet.
Altijdt met jalousye, Geweldt en Tyrannye Is 's Werelds doen bekleedt: En als sy willen wreken,
Haer Goddeloose treecken, En is geen doodt te wreedt.
Dus, O ghy Christen herten: Aensiet al dese smerten, Van 's wereldts hoogen staet, Wilt uyt d' Exempels leeren, Dat heerschen, en regeeren Een Christen niet wel staet.
Vergeefs heeft niet verboden, En selver oock gevloden, Des wereldts heerschappy, De Wijsheydt boven allen, Hy wou veel liever vallen Onder haer tyranny.
Want alle kruys van buyten, Dat kan men noch uytsluyten, En loven Godt in 't hert: Maer dat inwendigh quellen, Dat is een pijn der Hellen, Die niet geblust en werdt.
Een beetje broodts gegeten, Laet Salomon ons weten, In armoed', en met rust: Is beter dan met kommer, In veel bewint en slommer, Te leven in wellust.
Door Liefde te verblijden, En niemandt te benijden, Is een geluckigh deel: Want hier is in besloten, Volkomen en geheel.
Cookies on Poetry Cove