Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Op de wijse van den 23. Psalm: Mijn Godt voedt my, &c. GOd'lijcke Mensch // die uyt Godt zijt geboren, Wat tegen-wensch // dat u hier komt te voren, 't En doet u niet // uyt u geboorte wijcken,

Of wel geschiet, Dat ghy schijnt te beswijcken, Als u den last Bezwaert van u vyanden, Ghy staet noch vast, In uwes Vaders handen.

Wanneer het quaet V aenvalt onmanierigh, V oogen slaet Ghy op ten Hemel vyerigh, Hulp ghy verwacht Van die u kan bevrijden Dach ende nacht Vertoont ghy hem u lijden, Hy siet u aen, Met Vaderlijcke oogen, En u vermaen Beweeght hem tot medoogen.

Al heeftet schijn, Dat hy u niet wil weten, Ten kan niet zijn, Dat hy u sou vergeten: Mach oock een kint Van moeder zijn verlaten? Veel meer bemindt Godt sijn eygen lidtmaten Sijn vlees, sijn been, Sijn Bruyt, en sijn Huys-vrouwe, Die met hem een Verbonden is in trouwe.

Dit weet ghy wel, En daerom blijft u minne, Tot niemandt el En keert ghy uwen sinne: Kracht ghy ontfanght,

Door u stadigh aenhangen, Sijn Liefd' u pranght, En baert een soet verlangen, Om 't aller tijdt, Ghedurigh hem 't aenkleven, 't Zy wat voor strijdt Op u wordt aengeheven.

Zijt ghy in Godt Met al u hert gestegen, En is hy tot V oock alsoo genegen: Wie mach u dan Verhinderen oft schaden? Vreest u niet van Die menighte der quaden, 't Zy wat gestalt, Bedeckt oft openbaerlick, Verdwijnen sal 't, Godt is u hulpe waerlick.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.