Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Op de wijse: Mijn Godt voedt my, &c. LAet ons eenpaer De eenigheyt der zielen, Wel nemen waer, En al in ons vernielen, Wat Liefd' en Vreed' In ons sou mogen krencken, 's Herten gebeed' Den Heer gedurigh schencken, Met reyn ootmoedt, Wandelen voor Gods oogen, In liefde soet Tot malkander gebogen.

Na dat 't gemoedt Des menschen is gelegen, Gods wesen soet Tot hemwaerts is genegen, Is hy vol min, Liefd' sal hem wederbaren, Heeft hy strijdt in, Strijdt sal hem oock beswaren, Na den magneet, Daer na bloeyen de krachten, Soo wie dit weet, Roeyt uyt sijn qua gedachten.

Verlaet u niet Op u verstandt of weten, Al schijnet yet, 't Is maer stuck-werck geheten,

Buyght uwen sin Onder gemeyne stichtingh, Van boven in Vloeyt wijsheydts onderrichtingh, Niet woordt, maer Geest Kan 't hert alleen genesen, Niet in tempeest Maer stilheydt wil Godt wesen.

Den noorden windt Verderft veel soete vruchten, Dit elck bevindt Als hy liefde voelt vluchten; Van Hermon komt Den dau nedergestegen, Als ongesont Den vrede geeft den zegen, Als met eendracht Gebroeders herten 't samen, Zijn in aendacht, Haer woort is, Iae en Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.