Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Voys: Psalm 105. Een yder moet. ICk die hier ben in vreemde landen, Streck' op tot Godt mijn hert, en handen: Alleen is hy mijn trooster soet, In al het geen dat my ontmoet; Hy sterckt mijn Ziel in mijnen nood, Buyten hem alle hulp is dood.

Daer zijn seer veel verscheyden dingen Die mijn Ziel allesins bespringen, Beroeren, door verbeeldinghs kracht, Verstandt, memory, en gedacht Daer schijnt altijdt oorsaeck te zijn, Tot vreese, hoop,en sinne-pijn.

d' Onstadigheydt dwinght my te vlieden Tot hem, die alles laet geschieden

Tot mijnen besten hoe het gaet: Dies roep ick hem om hulp en raed: In hem alleen soo vind' ick rust, Waer door mijn lijden wert geblust.

Nature steld my wel voor oogen, Hoe 't dus, oft soo, noch gaen soud mogen: Maer het geloof doet wederstandt, En slaet dit lijden vander hant, En stelt my voor Godts groote macht By wien het al is kleyn ge-acht.

Hy die de vrou vervult haer vaten, En sal my niet verlegen laten, Door welcke middel, weet ick niet; 't Is my alleens, alst maer geschiet; 't Betaemt een ned'rige dienstmaeght, Te doen soo alst haer Heer behaeght.

Houdt hy my kleyn, ick sal 't gedogen Hy heeft wel middel en vermogen, My toe te meten 't geen ick hoef, 't Verbeyden acht ick als een proef: Het Musken krijt wel dickwils langh Om voetsel, in den winter bangh.

En nochtans stelt hy dese Dieren Als merck-teyckens van zijn regieren, Van welcken hy niet en vergeet: Hier uyt ick zijne gunst afmeet', Want my niet min geschieden sal, Als een van desen in 't getal.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.