Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Op de wijse: Gelijck als de witte Swane, &c. LUstigh, schoon, en uytgelesen, 's Werelts schatten schijnen // goet, Maer wat vreucht kan daer in wesen, Na dien het verdwijnen // moet? Pijnen, doet, menigh persoone, Al om dat, Maer my dunckt ick 's levens kroone Liever had.

Een van beyden moet ick kiesen, Dus achte geen schade // ick, 't Verganckelijck te verliesen, Want of in dat quade // strick Dadelijck, mijn herte viele,

Haer profijt, Kan niet baten, als mijn ziele Schade lijdt.

Maer sou my die kroon gebeuren, Waer in oyt 't verblijden, lagh. Ick moet eerst veel avonteuren, Soomen in voortijden, sagh, 't Lyden, mach ick niet ontvluchten, In torment, Is den troost dat al mijn suchten Haest volendt.

En ick moet wesen volheerdigh, Om geen dingh aflaten, want Anders en ben ick niet weerdigh Dit schoon uyttermaten, pant, Baten, kant, niet al beginne Ick den strijdt, Soo ick niet en overwinne, Vreught ontglijdt.

In verdriet, in druck en pijne, Als vrymoedigh treden gaen, En in des werelts woestijne, Veel vyanden wederstaen, Neder-slaen, het ongeloove, Toesien dat Niemandt listigh en beroove Mijnen schat.

Oock en mach ick niet ontberen Dagelijcks 't ontfangen, broot Van den Hemel, oft verteren Soude my het prangen, groot, Stranghen, noot, sou my verdrucken, Ware Godt, Menighmael in alle stucken, Niet mijn slot.

Ick mach wel vrijelijck spreken Godt is eenen Herder, my, Dat my niet en sal ontbreken, Als oft ick al weerder, zy, Verder, hy, sijn handt uytbieden Wil, dan hem Soude konnen lof geschieden, Deur mijn stem.

Een dingh doet my vreught verleenen Want wanneer ten boosten vest, Aen mijn ziele treurigh weenen, Dan komt hy my troosten, best, Oost en West, waer ick my keere, Hy my is Een bystandigh troostbaer Heere, Sonder mis.

Hy deur 't water der Iordanen, My van droefheydt reynigh, maeckt, Hoe wel na mijn bitter tranen Sathan, noch vileynigh, haeckt, Weynigh, laeckt den moet, om in de Doodt te gaen, Want Godt sal sijne beminde Helpen slaen.

In 't landt komende ten lesten, Daer stadt noch kasteel, en sluyt Sijn vluchten zijn al ten besten, Af maeyen en deelen, buyt, Heel en uyt, is al mijn ploegen, Nu tot loon, Sal my op den hoofde voegen, 's Levens kroon.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.