Op de wijse: Het waren twee Gebroeders. Ofte: Dochteren van Sara, &c. MYn alderliefste vrienden die ick in 't hert bemin, Laet ons den Heere dienen met hert en sin, In eenigheydt: Want een Godtsaligh leven is een groot gewin, Soo Paulus seyd.
De tydelijcke neringh niet verder en belanght, Dan dat den mensche voetsel en decksel ontfanght 't Welck Godt belooft, Die met een suyver wesen hem hier aen hanght Als aen zijn hooft.
Veel worden hier betrocken deur liefde van het goedt, Dat sy dickwils besmetten haer reyn gemoet Met woort en werck, Maer, O mijn herts beminde ! soo niet en doet, Maer houdt u sterck.
God wil somtijdts beproeven of ghy hem wel betrout Als hy u laet behoeven het geen ghy soudt Bruycken ter noot: Dat u beproeft gheloove sy beter dan Gout Ten vyere root.
Neemt u tot een exempel de vromen aldermeest, Haer lichaem was een Tempel van 's Heeren Geest, In d' oude tijdt Als men 't geloof beleefd' in vervolges tempeest Met grooten strijdt.
d' Apostelen des Heeren, en die hun volghden nae, Hy achten seer weynigh de tydelijcke scha, Haer leven dier
Hebbens' in kruys en lijden gegeven, ja Tot zweert en vyer.
Sy werden als slach-schapen so hier en daer gedoodt, Sonder geweer en wapen elck hem uyt boot Ten offerhand', De Goddelijcke Liefde haer niet verdroot Te lijden schant.
Sommige zijn gebraden, gheroostert en gevilt, En hebben hier haer leven gantsch wech gespilt Tot Godes prijs, 't Scheen voor de werelt haer sinnen op 't wilt En gantsch onwijs.
De vroome Policarpus stondt in den lichten brandt, Hy deed' met soete reucke sijn offerhandt En blonck als Gout, Hy was een dapper man met goet verstant En daer toe out.
De Edel Lucianus lach twaelf dagen lanck Op scherpe yser pennen gelijk een planc Met herten vro, Sijn lichaem was ten Avondtmael een banck En sterf alsoo.
Ignatius gegeten werd van de beesten wreet Daer hy hem selfs gewillig met vreugden onder smeet, Attalus vroom De pijne des doodts ten vyere leet, Gebraden krom.
De kloecke Blandina van Godt ghemaeckt seer sterck, Vervulde met martelerye haer perck, Potamia Een heylige Vrou in d' eerste kerck, Volghden haer nae.
Oock noch in onse tijden, 't en is niet langh geleen, Hebben met bitter lijden de vrome deur gestreen, Geen tijd'lijck goedt, En mochte de tyrannen stellen te vreen Maer vleys en bloet.
Met branden, en met blaken bedrevens' groot gewelt: Aen palen, en aen staken de Lichamen gestelt: Het goet tot prijs, 't Was wel een enghen wegh, alsmense heeft gequelt Op sulcken wijs.
Och haddens' mogen leven, als wy in onsen tijd, Met gelt en goet te geven, sy hadden haren strijdt, Geacht seer kleen, Al schijnet somtijdts dat ons 't kruys deursnijt, 't Is hier by geen.
Dit heb ick u uyt Liefden geschreven tot een Leer, Op dat ghy nae 't exempel der Heyligen den Heer Soudt hangen aen, En dat ghy met der werelt en soudt niet meer In dolingh gaen.
Cookies on Poetry Cove