Skip to content
1657

't Geestelijck kruydt-hofken

Anoniem

Op de wijse: Van den Lof-sangh Mariae, &c. O Godt vol liefde soet, Ghy zijt dat ware goedt, Ghy ontfermt u, O Heere, Hier in dit aerdsche dal, Over u wercken al, Iae al u schepsels teere.

Wijs zijt ghy in 't beleyt Vol van voorsichtigheyt, Raedt kan u niemandt geven: En ghy weet alle dingh Wat op der aerden ringh In 't heym'lijck wort bedreven.

Almachtigh zijt ghy wis, Alles u moogh'lijck is, Door uwe kracht alleyne, Alle dingh ghy erhalt, Sonder u niet en valt Een musken alsoo kleyne.

Zijt ghy dan overvloedt, Almachtigh, wijs en goet, Soo wil ick al mijn saken Die my vallen te swaer, V bevelen voorwaer, Ghy sult het soo wel maken.

Wat reden heb ick dan Die my doen sorghen kan Voor toekomende dingen? V goetheydt my beschut, V wijsheydt weet mijn nut, V kracht kan alles dwingen.

Als my dan yets geschiet, Het welck u ooge siet, 't Zy kranckheyt oft armoede, Versmaetheyt spot oft schandt Laet my sulcks van u handt Aennemen al in 't goede.

Gheeft my altijdt gedult, Op dat ick doch geen schult, En geeft de Creature, Die als een instrument, My hier wordt toegesent, Om my te maken pure.

Dat ick sachtmoedigh zy, En ootmoedigh daer by, En over yegelijcken My ontferme seer soet, Soo ghy over my doet, Dat ick doe desgelijcken.

Wanneer my yemandt quelt, Lastert, oft doet gewelt, Dat ick hem nochtans minne, En in vriendelijckheyd, Sijn arme toornigheydt, Met weldoen overwinne.

Schoon-spreken dat is mijn, Ootmoedigh moet ick zijn Hoe soud' ick (arme aerde,) My laten duncken yet Want ick en ben doch niet,

Niet, en van geender waerde. O Godt vol liefde soet, Almachtigh, wijs en goedt, Ick wil my overgeven Gheheel in uwe handt, Leyt my na u verstant, Want dat is al mijn leven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.