Skip to content
1643

't Eerste Deel, van Sparens Vreughden-Bron

Anoniem

Philander antwoort. Singhende op de Stemme: Kareleen. HErderin indient u lust te weten, ‘K stae alleen tot u ghebiet, Wel nu dan luystert toe: ick segh ‘t was doe Ick eerstmael u by sijn ghenot heel onverwacht, Heeft de min mijn hert alsoo beseten, Datse my geen rust noyt liet: Als maer u wijs beleyt en sedigheyt, In woorden, in wercken, my quamen in ghedacht: Maer als ick vande plaetse spreken moet, O hel soet brande! o ghy nickers soet! Ick voel, ‘t ghewoel, u helschen pijn, ‘K meen vreucht, ‘t was geneucht in sulck een hel te zijn. Philida Iae wel Philander heeft u min daer eerst begonnen, En heeftse met een storm u hert gantsch overwonnen, Hoe heeft de Minne-godt alsulcken grooten kracht?

Dat g’hem gheen weerstandt boodt, of was te kleyn u macht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.