Stemme: O Kersnacht, &c. Ach Laura, die door u gefloncker, Maeckt Cloris luyster doof en doncker, En door u schitterend gesicht
Verzenght de Bloemen, en de Kruyden, En Fackel-licht dat daeolt in 't Zuyden, Als Delos voor u Toortsen swicht. 2. Ach Bron, wiens Kristalijne stroompjes Bevocht de struyck van Elze-boompjes, Tuygh hoe ick om mijn Laura ween: Tuygh Vleugel-beesjens op te telgen, Hoe Thirsis 't leer niet kan verzwelgen, Dat hy om Laura heeft geleen. 3. Dwael, dwaelt dan mijn onnoz'le Lammeren, En wilt om Thirzis misval jammeren: Kbaeut 't voedtsel met een volle toom, 'k Sal u de teugel nimmer snoeren, Noch oyt van 't Klaver-grasje voeren, Besproeyd u vacht in Lauraes stroom. 4. Laura, wiens wreede hert derf trotsen Het bars gemoet van klip, of rotsen, Aensiet hoe Thyrsis om u quijnt, Met wien 't geluck volhert te schimpen, Ter wyl hy teert door Lauraes glimpen,
En als het Was voor 't vyer verdwijnt. 5. Ick voel mijn Ader-tochten flaeuwen, De duysternis mijn riff beschauwen: Mijn zieltje doelt nu na haer rust. Vaer wel dan Laura mijn beminde, En als ghy Thyrsis doodt sult vinden, Segh dan: 'k heb mijn volkomen lust. M. Tengnagel.
Cookies on Poetry Cove