Voys: O Diamante trouw, &c.
O Goddelijcke Band!
Door klem van hant in hant,
Onbrekelijck gebonden,
Soo haest de radde tongh,
Een vrye, en losse sprongh
Heeft tot het Ia ghevonden.
2 Daer blijft de wil beknelt,
En vast in een gewelt,
Van twee verliefde herten,
Die eeuwigh zijn bereyt
In alle stadigheyt
Hun droefste noot te tarten.
3 O wel gewilde trouw!
Dus boeydge Man en Vrouw,
Door liefde aen malkander,
En bindse met u knoop,
Aen soo een wisse Hoop,
Die vry is van verander.
4 Ay wel vernoeghde Twee!
Groeyd door de liefd in vree,
Ten eynde van u leven:
Soo sal den Opper-Voogd
Die alle dingh be-ooghd,
U namaels vreughde geven.
I.Vos.