Skip to content
1645

't Amsteldams Minne-Beeckie

Anoniem

Stemme: Nu dat de nare nacht, &c. Dat Philis reyst en spoeyt, Mijn lust en vreught besnoeyt, Want sy laet my geboeyt En vast gekluystert Hier op den oever staen, Hoe kan 't my droever gaen? Dan van haer licht voortaen Te zijn verduystert. 't Is moordery alleen te blyven, En sien sijn vreucht voor wint afdrijven. 2 Philis siet doch eens uyt, Hoe ick naer oogh de schuyt Waer in mijn waerste Bruyt Wort wegh gedrage,

Phillis en hoort ghy niet, Ghy die mijn ziel gebiet? Of wilt ghy met verdriet Mijn eeuwigh plaghe? Ick sal nochtans de gene wesen Dien ick u hebt geseyt voor desen. 3 Geen Tijgers wreetheyt noch, Het alderwreest bedroch, Of wat met Beere soch Is opghetoghe, Of al de Paerde kracht Of d'Olyphante macht, En sal mijn droeve klacht Belette moghen, Ick wil en sal u eeuwigh minne, En noyt veranderen mijn sinne. 4 Vaert vry dan noch soo wijt Reyst, runt, en vlucht altijt, Phillis waer dat ghy zijt Zijn mijn gedachte,

Ick sal met trane vloet Veel beter als de gloet, Die ghy mijn storten doet En uytkomst wachte. Veel hoop en vrees, en duisent sorge Die mijn als met een strick verworghe. 5 Indien ick op de hoop Niet dickwils heene kroop, De droeve vrees die sloop Met my ten grave, En dat ick sterven sou In d'alderdiepste rou, Soo blijf ick wreede Vrouw // Altijdt u slave, Mijn geest sal naer mijn doodt noch poghe Ten dienste staen voor uwe ooghe.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
't Amsteldams Minne-Beeckie · Anoniem · Poetry Cove