Singt met aendacht. Van Gods goetheyt end oordeel wil ick singhen, Ick wil hem schoone lof Psalmen toebringhen, Daer met dat ick God den Heer boven al Groot maken sal. 2 Ick wil wand'len met oprechten ghemoede, Wan sal ick heerschen met vreed' in voorspoede Dan wil ick mijn volck trouwelijc voorstaen End voren gaen. 3 Van der boosheyt heb ick, Heer, een afgrijsen, End die anders met der daet niet bewijsen, Van archeyt die sullen in dat huys mijn Nemmermeer zijn. 4 Ooc de verkeerde menschen al te male Moeten wijcken wt mijn hof en mijn sale, Hy sal van my, die hem tot doofheyt went Niet zijn ghekent.
5 Die met achterclap haren naesten schaden Die met grootscheyt, end hoochmoet is beladen, Die sal ick t'samen uytroyen met vliet, End lijden niet. 6 Mijn oogen sullen sien na den oprechten, Op dat sulcke moghen wesen mijn knechten, My sullen dienen die vroom ende goet, Sijn van ghemoet. 7 Die tot bedroch end list hem wil begeven, Die sal dan my in dienst niet zijn verheven Den leughenspreker en sal oock by my Niet wesen vry. 8 Vroech met ernst sal ick drijven uyt den lande, De boosen al, end tsaem brengen ter schande Op dat Gods huys van boosheyt groot en cleyn, Gantsch werde reyn.
Cookies on Poetry Cove