VI. De vijand wordt in de pan gehakt.
Gij vraagt met recht wat hier geschiedt,
En of het waarheid is of niet,
Wat u dit plaatje biedt.
Foei! zegt hij huivrig - 'k gruw er van,
Hakt men den vijand in een pan?’
't Gaat in den krijg wel vreeslijk toe:
Zijn eens de legers slaags geraakt,
Dan blijkt het zwaard nooit strijdens moê
Des krijgmans, die van wraakzucht blaakt.
Men hakt en houwt en schiet en moord,
- Want vriend of vijand wie 't ook zij -
Zij denken aan - geen medelij -
Maar aan de roem, die 't hart bekoort.
En als dan eindlijk - vroeg of laat,
De laatste kloeken vijand valt,
En 't winnend heir victorie schalt:
Dan -
Spreekt en veldheer en soldaat:
‘De macht des vijands is geknakt
En 't leger in de pan gehakt!’
Wat jammren dus een oorlog biedt:
Zoo als gij 't op dit plaatje ziet,
Zoo wreed zijn - neen de menschen niet,
En 't is ook nu - noch ooit geschiedt.