Op de Stemme: Hoe lieflijck hoort men hier nu quelen.
I.
EEn lust, en vreught is het vergaren
Als het uyt rechte Liefd' gheschiet,
Ghelijck als wy hier vreughdich paren
Wt rechte Liefde soo-men siet,
't Roo-Roosken wijdt vermaert,
Van Schiedam oudt bejaert.
I I.
Met sulcke Liefd' wordt ghy ontfanghen
Ghelijck Pyramus, Thilbe dee,
Als die verlanghde, wy verlanghen
Na u alhier, in rust en vree;
Wt rechte Liefde bly,
V Wel-kom heeten wy.
I I I.
Godt gheeft dat Liefde meer mach groeyen
In rust en vreught nu rechte-voort,
En als den Ceder schoon hier bloeyen
By ons als Broeders toe-behoort;
Dat d'een d'ander bemint,
In 't endt, soo het begint.
I V.
Tot een vermaeck van alle menschen
Is Broederlijcke Liefde goet,
Tot een vermaeck na 'therten wenschen,
Want vrede hier wel leven doet;
Maer door tweedracht ontstaet
Een grooten brandt op-gaet.
V.
Nu, wel-kom hier uyt Liefd' eendrachtigh,
Die schrijven Aensiet de Jonckheyt,
By ons, daer men schrijft 't Woordt is krachtigh,
Wt Liefd' oprecht men u verbreyt;
Dus Welle-kom alhier
By ons Roode Angier.
't Komt uyt den Gheest.