§ Prince.
Een oprechte Liefde is altijt Godt bequaem,
En die Mensche is een lieflijck Dier bekent,
Wiens leuen ter Węrelt strijt altijts om vraem,
Teghen s'Węrelts, Uleesch, vyant vol van blaem,
Dit lieflijck Dier lijdt een swaer torment,
Maer dit Dier is die Wapene Godts omtrent,
Daer Paulus ons mede leert vromelijck strijden,
Eer v de Węrelt met ijdelheyt verblent,
Laet v van Godts Liefde niet omghelijden,
Bringht v Uleesch met Eyghen-liefde in lijden,
En nemet tswęert des Gheests dat is Gods Woort,
En toocht v de Uyant wanhopich benijden,
Biedt hem den Schilt des Gheloofs om v confoort,
Als een menschelijck Dier dus Liefde oirboort,
Soeckt altijts Godts Liefde en Uré in Uursten,
Soluerende v Uraghe in Liefde voort,
Deur eendrachtighe Liefde, compt t'lant in Rusten.