§ Prince.
Wel zij de Landen die Godts Ureese beminnen,
Haer Serckten en zijn niet om verwinnen,
Uredelijcke Ghemeynte Godts Ureese behaecht,
Gehoorsaemheyt des Woorts is oick sulcx beginnen,
Dus alle Murmuratie van v veriaecht,
Daer elck Gods vreese verlaet is d'lant zeer geplaecht,
Dus bemint Godts Ureese, oft het wordt v schade:
Deur Gods vreese men sorghe voor tgemeynte draecht
Daermen vredelijck leeft, t'is deur Gods Ghenade:
Dus soeckt den Heere in tijts, eert wort te spade,
Ghebruyckt Godts Ureese tot Liefde ghelijckelijck,
Op dat v niemant met drucke en belade,
En voorspoedicheyt sal v wesen blijckelijck,
Daer Gods vreese regneert is d'Lant zeer rijckelijck
Met Gratien begaeft, tot tstroosts vergaren,
Bringt Wijsheyt, en leert Liefde autentijckelijck
De Ureese Godts, want het is des Landts welvaren.