Skip to content
1563

Refereynen ende liedekens

Anoniem

Lischbloeme in Mechelen. Spes mea Christus. Per de Vianen.

HOe sou eenich Lant, moghen Ruste ghebeuren So lang als Gods kercke, steeckt vol erreuren, Welck Hooftstuck alle Landen int verkeerde stelt, Ia der Ghemeynten valstrick, int bespeuren, Want Meum et Tuum, cant lappen en leuren, Dat Hemel en Eerde, schijnt te coop zijn om Ghelt, Gods Ureese is cranck, Wijsheyt en Liefde smelt, Iusticie die blint is, faelgeert oock thoren, Ionas, Hieremias, elck om zeere hem quelt, Met Predictie des quaets, maer t'is verloren, Hoe souwen de Landen, dan Ruste orboren, T'schijnt een onmoghelijcke sake midts desen,

Maer wildetmen recht bringhen alst was te voren, Soo en isser gheen ander middel ghepresen, Dan datter drye Deuchden t'effect moeten wesen Uan Godlijcker Aert, elck in sijn Offitie, Dats Ureese Godts, Wijsheyt, en goey Iustitie.

Godts Ureese voorwaer, soo Schrifture narreert, Is de Croone der Wijsheyt, diet al regeert, En Wijsheyt den Landen oyt met Ruste beschanck: Want deur wijsheyt wordet recht soo ghemodereert, Dat t'Sweerdt der Iustitien onghecorrumpeert, Den toom niet te cort en hout, noch en geeft te lanck, Dat is, lichtelijck te goet zijn, oft oock te stranck, Soo Boetius vertelt met soeter talen: Dit doeghet Landt rustich blijuen, sonder bedwanck, Daer Wijsheyt, en Iustitie niet en falen, Maer Godt in sijn Ureese, als den principalen Gheuere der Rusten, moet al in als wercken, Die der Princen herten wel can verstalen, Oock sacht als was maken haer verstockte vlercken, Dus moeten dees drye Een zijn t'allen percken, Dienende tsamen die ghemeyn Politie, Dats Ureese Godts, Wijsheyt, en goey Iustitie.

Alleen dees drye, moghen sonder hinderen Winnen en baren ghehoorsame Kinderen, En daer Ghehoorsaemheyt is, moet Ruste blijcken: Godts vreese doet somtijts deur Wijsheyt minderen Sware Belastinghe, by valssche vinderen Uonden, dwelck d'erme zeer praempt, en oock den rijcken Buyten tijts, sonder noot, doet dickwils wijcken Rust wten Lande: maer d'edel Smaragde dier

Iustitia, strijdt tseghen sulcke practijcken Om blusschen, d'boos brandende onrechtveerdich vier, Dits recht deser edelder Deuchden bestier, En Conste precieus, tot ruste der Landen, Oock moghense t'horrible Serpent onghier Bindende verworghen, en bringhen ter schanden, Dwelck twist der Religien, dus houdt in banden, Quaey Secten straffen, midts rechte Punitie, Dats Ureese Godts, Wijsheyt, en goey Iustitie.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Refereynen ende liedekens · Anoniem · Poetry Cove