Skip to content
1563

Refereynen ende liedekens

Anoniem

§ Den oppersten Prijs. § Liere. D'Ongheleerde. Wt ionsten versaemt. Scientie verheft. A. van Molle.

DEeuwighe Wijsheyt, Uader der Lichten // goet Met Salomon bid'ick, ons omvlichten // doet, Seyndt neder v Wijsheyt, Waer sonder, niemant t'volck en can berichten // soet Een Herder sijn Schapen, daer deur stichten // moet Met goedet aduijsheyt, Als de Wijsheyt floreert in grooter iolijsheyt, Dan wordt s'Conincx stoel met Gherechticheyt verciert, Dan wordt wtgeroeyt twistighe afgrijsheyt, En de Ghemeente, Urede, en Liefde hantiert: Want tbeghinsel der Wijsheyt wel ghemaniert, Es Gods vreese, die Rust en Salicheyt ontfaet, Hooueerdicheyt en Achterclap sy van haer stiert, Met Rechtueerdicheyt, en sterckheyt sy omme gaet: Deur haer, oordeelen de Rechters t'rechte Mandaet, Soot metten Hoofde staet // soo zijn oock de Leden: Dus houdt de Landen in Rusten (mits goeden raet) S'geests Wijsheyt, inden mensche, gedaelt met vreden.

Ghy Ouerste des volcx, hier toe t'regeren // peught, Eest dat ghi hebt int Scepters magistreren // vreught Met herte, en Sinne, Op dat ghy inder Eeuwicheyt regneren // meught, Soo bemint de Wijsheyt, dan sal floreren // deucht,

Eendracht, Peys, en Minne: God mint niemant, dan die met Wijsheyt woont inne Want een wijs Coninck es svolcx vasticheyt vaillant, En de menichte der Wijsen van tbeghinne Es een Ghesontheyt des Aerdtrijckx abundant, Dwase Menschen verstroyen een Stadt oft Lant, Maer de Wijse stillen den thoorne, twist en strijt: Daerom bidt God om Wijsheyt en Uerstant, Soo suldy sonder vreesen rusten, breedt en wijt, Want daer Wijsheyt woont, vliet tweedracht, haet, en nijt: De vyanden subijt // verwint sy met Reden, Dus can de Landen houden in Rusten altijt S'geests Wijsheyt, inden mensche, gedaelt met vreden.

Wat const Salomons Landt (soo Schrift ontvouwen // can) In Ureden, en in Rusten, hier houwen? // dan De Wijsheyt des Heeren, Die in hem abundant, in elckx aenschouwen // ran Tsijnen dienste quamen hem mans en vrouwen // an Met grooter Eeren: Want Wijsheyt doet vrientschap en vrede vermeeren, De Landen hoeden van Mars tirannich verdriet: Al wilt hem somtijts yemant tot Tweedracht keeren, Dat can men haest beletten, deur haer soet bediet: Want de Quaetheyt en verwint de Wijsheyt niet, Maer blijft als den Ceder hooghe, en onbevlect, Want een wijs Coninck (soot noch dagelijcx geschiet) Uerstroyt d'ongodlijcke, slandts welvaert hy ontdect, En een Landt daermen Eyghen-wijsheyt bouen trect, Daer wordt Twist verweet, en Ruste vertreden:

Maer de Landen can houden in Rusten perfect S'geestst Wijsheyt, inden mensche gedaelt met vreden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.