§ Liedeken.
O Sion schoon wilt verblijden,
Ghy zijt verlost van s'Doots bestrijden,
Want Christus heeft moeten lijden,
Om v bevrijden.
U bidden hy altijt verhoorde,
En v vyanden hy verstoorde,
En stelden v in accoorde,
Met sijnen Woorde.
Dus moeten wy den Heere louen,
Sijn Gracy hy ons sendt van bouen,
Op dat wy niet zijn verschouen,
Uan sijnen Houen.
Doen wy laghen vast in s'Doots banden,
En inder wreeder Leeuwen tanden,
En wouden bringhen ter schanden,
Ons in ons Landen.
Nu hebdy v Enghelen Heere,
Hen belast ons te draghen zeere
Op dat onse voeten teere,
En stoote meere.
Dus hebdy O God int verclaren,
Ons altijt wel willen bewaren,
En wt alle boose scharen,
By een vergaren.
Ons herten connen niet volbringen,
U Lofsanghen ghenoech te singhen,
Wilt toch onsen gheest bespringhen,
En daer toe dwinghen.