§ Prince.
God heeft se lief die hem vreesen alleene meest,
En met sijnder Wijsheyt woonen in dit Foreest:
Want sy is schoonder dan die Sonne aenschijne,
Sy is ghecomen vanden Heylighen Gheest,
Gheen Peerlen, noch Ghesteenten hoe goet van mijne,
En is niet te ghelijcken by haer Doctrijne,
Subtijl, welspreken in haer conuersatie,
Sy is voorsichtich met Godts Woordt ten fijne,
By haer is kennis, Uerstant met Godts Gratie,
Oick is sy die Spieghel een van Godts natie,
Allen dinghen vermach sy deur Wijsheyt claer,
Want met God houdt sy haer Regnatie,
Godt blijft in haer, en sy in Godt voorwaer,
Sy blijft in die Waerheyt sterck als een pilaer,
En by Godts Woordt met vierigher beden,
Gheenen costelijcker Schat int openbaer,
Wijsheyt can de Landen best houden in Ureden.