Skip to content
1563

Refereynen ende liedekens

Anoniem

Louen. Noyt hooghen berch sonder Diependale.

HOe deerlijck ist meest in allen Landen ghestelt, Deur cracht en moort, deur groot ongeloouich ghewelt, Heel vol Onrusten, en vol turbatie, T'schijnt dat wy schier hebben, dat ons Marcus spelt Den lesten Tijt, gheheel vol van desolatie: D'een seydt nu, hier is Christus vol van Gratie, Een ander wilt ons Christus elders wijsen, Scroyende daghelijcx onder alle Natie Ueel Ongheloofs, tweedracht, vol van afgrijsen, Dwelck den Landen doet vol Onrusten rijsen, Waer deur dat wy schijnen van God heel verlaten, Maer waert dat wy Godt vreesden om veriolijsen Bouen dat leeft, en bidden in alle Staten Om Wijsheyt, als Salomon de wter maten, En elck sijn sondich leuen wilde bekeeren, Dit houdt de Landen in Rusten, wilt dit vaten, Den Geest der Wijsheyt, met die Ureese des Heeren.

Die Ureese des Heeren, soo ons openbaert Prouerbiorum Salomonis, hooch vermaert, Is d'beghinsel der Wijsheyt, weerdich om louen, Wel den Landen dan, daer Wijsheyt wert bewaert Met die Ureese des Heeren in alle houen Uan Princen, en Coninghen, onder en bouen: Want wat Landen, die daer met wijse treken, In die Ureese Godts, heel zijnde verschouen, Gheregeert werden (soo die Schriftueren spreken) Blijuen in Rusten, soo voormaels heeft ghebleken Aen menich Coninck, in Israel playsant: Want als Israel van den Heere was gheweken, Wandelende, sonder Godts Ureese, en verstant, Soo heeftse die Heere in Onrusten gheplant, Hun verlatende, in een bitter verseeren, Maer den Landen doet Rust hebben abundant Den Geest der Wijsheyt, met die Ureese des Heeren.

Coninghen die daer domineren met machte Ouer Landen, Steden, by daghe, by nachte, Begaeft zijnde, deur den Godlijcken Gheest, Met Wijsheyt, voorsichtich houdende in pachte, Daer by die Ureese des Heeren aldermeest, Die sal wt sijn Rijck royeren, als een beest, Al wat hem tot Onrusten dan is raeyende, Als valsche Predicanten, die menich tempeest En Kettery in den Landen zijn saeyende, Met dees Pluymstrijckers, die altijt zijn maeyende Tot hun selfs bate, niet tot der Landen profijt, S'Landts ghemeynten altijt zijn beschaeyende Met Nieu vonden, practijcken, lasten, breet en wijt,

Dees moeten al deur Godts Helpe ghebenedijt, Wt den Landen, veriaecht zijn om s'Rust vermeeren, Dit doet al in Rust sitten, wie dat ghy zijt, Den Geest der Wijsheyt, met de Ureese des Heeren,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Refereynen ende liedekens · Anoniem · Poetry Cove