Skip to content
1775

Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde

Anoniem

Veiligheid in Christus.

Verbijstrend ongeloof, dat kragt Van Satans diepe listen wagt En omdoolt in een' duistren nagt Van twijfelingen;

Dat hulde aan botte driestheid doet, Den grond der hope omverre wroet, Gods trouw met trouweloozen voet Stout durft bespringen,

Heeft lang genoeg de wankle kiel Van mijne omhergesolde ziel, Die, ach! aan lager wal verviel, Van God gedreven.

Sinds zwerft ze, als op haar rampen trots, In nood van bank en strand en rots, En staat, door 't eiselijk geklots Der wet, te beven.

Nu rijst ze hoog, Gods wraak ten doel: Dan zinkt ze diep in 's afgronds poel: Dan drijft ze heen, heeft geen gevoel Van een' der winden.

Dan grimt haar 't wreed verderf weêr aan, Zij vreest, een bulderende orkaan Van gruwlen, plotseling ontstaan, Zal haar verslinden.

Wie is 't, daar de opgeperste vloed In haar verdorven leden woedt, Haar fel bespringt, die haar behoedt, In deze golven?

Amitthais wijfelzoon zonk eer Zo diep door ongeloof niet neêr Als zij, die van 't onmeetbre meir Zig voelt bedolven.

Straks worstelt zij met bangen nood, Het nijpende gebrek aan brood: Dan is het dat zij deerlijk stoot Op Azafs klippen.

Waar zijt ge, in dezen naren nagt, o Morgenstar! waar op zij wagt? Zij kan alleen door uwe kragt Den dood ontglippen.

Dat gij dien gruwelstorm gebiedt! De holle golven van verdriet Glad kemmet; zorget, dat zij niet Op wanhoop blijve!

Dat zij, wat zee haar overga, Op u haar weenende oogen sla, En, radeloos, op uw genaê! Gelaten drijve!

Wat 's dit? ... de dolle wind bedaert, De zwarte lugt wordt opgeklaard, De Heilzon schijnt, de kiele waart Geloovig henen.

Die almagt, die Gods gramschap droeg, De helle in vaste ketens sloeg, Wier liefde tot haar overwoeg, Is haar verschenen,

Zij vreest de blinde klippen niet, Waeröp haar onkunde eislijk stiet, Die bij de wijsheids vuren ziet De regte paden.

Wat twijfelstroom er draait en maalt, Gij wijst haar oog op uwe naald; Die 't spoor aan, daar geen dwaze dwaalt: Ze is wel beraden.

Zou vreeze voor gebrek aan brood, Zou zorg voor naderenden nood, Zou 't grijnzen van den nordschen dood Haar ooit verschrikken?

Neen: die aan 't brood het voedsel geeft; Die boven alle nooden zweeft, Door wien de dood geen prikkels heeft, Zal alles schikken.

Een zondenstorm bevall' haar plots: Zij kaatst dien af gelijk een rots, En slaapt met u in 't woest geklots Der holle baren.

Ze is in stikdonkre nagten stout, Dewijle in u haar anker houdt. De reê, die ze in 't verschiet beschouwt, Zal zij bevaren.

1761. N.H.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde · Anoniem · Poetry Cove