Skip to content
1775

Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde

Anoniem

(I. Boek, Lierz. XXII.)

In wien geloof en deugd zig paren, Schroomt tegenheden, noch gevaren, Noch 't woeden van de holle baren Op 's weerelds zee. Moet hy op aarde als vreemdling zwerven, En vaak zijn goed, ja leven, derven; Geen nood! hy landt, terstond by 't sterven, Aan 's Hemels ree. Wen ik, in eenzaamheid gezeten, Van vriend, en maag, van elk vergeten, Mijn Jesus met een goed geweten Ter eere zing; Kan ik het helsche woên verägten: Deez' Hemeltoonen geven kragten: En leeren my geloovig wagten Op 't Heilbeding.

Ja, stel my, daar geen zonnestralen Op 't droevig aardrijk nederdalen; Daar bleeke en doodsche schimmen dwalen Langs berg en dal; Ja, stel my vry in woeste landen, In nare wouden, dorre stranden, Ook daar van Jesus min ik branden En zingen zal.

Y.V.H.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde · Anoniem · Poetry Cove