De koek-kramer.
‘Kom maar, jongens! die 't wil wagen;
Koek en steenen staan al klaar! -
Drie, vier Koeken kan men gooijen,
Voor een stuiver! - gooi dus maar! -
Zoo maar! - laat de steenen ramlen! -
Eén man heeft gegooit! - slechts acht! -
Daar is kans naar! - dat zijn Koeken! -
Toe maar, jongens! - niet gewacht! -’
Dus schreeuwt Klaas, de Koeken-Kramer,
Lokt aldus de jongens aan;
Die, helaas! hun geld verspelen,
En verdrietig heenen gaan. -