De Jood met dekens en beddeteiken.
‘Wholle hen Khathoene Dhekens
Eb hik honbhedhenklijk fhijn! -
Dhaar bhij eb hik Bheddethijken,
Zhoo hals er mhaar wheinig zhijn. -
Hook eb hik nhog handre ghoedren,
Thot der Bhirgeren gherijf;
Voor wier deegdzaamëid hik tevens,
Hop den dier, hook bhorge blijf! -’
Dus prijst Levie zijne waren;
En verzekert nog daarbij:
Dat hij, - even als zijn Makkers, -
In den handel eerlijk zij. -