De blinde.
‘Geef een aalmoes, lieve Jufvrouw!’
Zegt de Blinde, ‘geef een man,
Die, door 't missen zijner oogen,
Toch maar niets verdienen kan. -
Ach, ik ben zeer ongelukkig!
En ik was het nog veel meer,
Wen het hartlijk medelijden
Mij niet voedde, keer op keer. -
Dat de Algoedheid u dus zeegne,
Milde Gevers! en nooit smart
U, of de Uwen, moge kwellen!
Zijn de wenschen van mijn hart. -