Op de wijse: O salich heylich Betlehem.
Ierusalem ghy schoone stadt
Hoe staet ghy bruyt in mijn behaghen?
Mijn ooghen maeckt ghy dick soo nat,
Mijn hert doet ghy naer u jaghen.
Want boven alle schoonheydt schoon
Zijt ghy van buyten en van binnen,
Soo dat tot uwen lof idoon
Noch menschen zijn, noch Seraphinnen.
O gulde Sonn’, o silver Maen,
O sterr’kens blinckend’ als Robijnen!
Maer die daer binnen eens mocht gaen,
Duyst Sonnen soud’ hy vinden schijnen.
Schoon Vader-landt, schoon Vader-landt
Godts aller triumphandtsten throone:
In u is rijckdom abondant,
O salich die u krijcht ten loone!
V muren zijn van goude fijn,
Bestroeydt met peerlen zijn u straten,
In u en is gheen Sonne-schijn,
Want ghy schijnt selver boven maten.
Hoe schoon blinckt daer den diamant,
Hoe soetkens lacchen de Saphieren!
Oock den Karbonckel triumphant
Gheeft licht in duysentich manieren.
Tapijtsery en isser niet,
Dit zijn Hierusalems tapijten:
De motten doense gheen verdriet,
Den tijt en kanse oock niet slijten.
Och schoon Sion mijn liefste lief!
Ghy hebt berooft alle mijn sinnen;
Maer desen roof doet my gherief,
Nu sal ick u alleen beminnen.
Dus roept mijn siel’, o Heer wanneer,
O wanneer sal ick van hier scheyden?
Naer u soo haeck ick even seer,
Al wilt het vleesch my neerwaerts leyden.
Ick ben hierin het tranen dal,
Den hooghen Thabor is daer boven:
Och laet my met u vrienden al
V Majesteyt eens salich loven.