Op de wijse: Onlancx ghingh ick braggheren. Ik wil mijnen gheest gaen spijsen Met Sint Franchoys te prijsen Die ons den wech sal wijsen Om te beteren ons leven. Uyt Egypten lant te rijsen En uyt haer valsch advijsen Al naer des schrifts bewijsen, Eenen Moyses ons ghegheven: Hy heeft in elck quartier Soo menigh deughden fier Stil en sonder ghetier Deur ‘sHeylighen Gheests bestier, Als stralen laten schijnen: Sy en sullen niet verdwijnen, Wat oock de nijders pijnen: Sijnen lof tot alder tijt Blijft dueren breedt en wijt. Als hy sou gaen beghinnen, Godt dienen en beminnen, Was seer vierich van binnen Ghelijckmen vint beschreven. Om den Hemel te winnen, Heeft hy met vaste sinnen, De wereldt met haer ghewinnen, Verlaten en begheven. Sijn Vader wreedt en quaet,
In boosheydt obstinaet, Namp teghen hem den haet Om sijnen goeden raet Te moghen diverteren, Hy ghinck hem persequeren, En deed’ renuncieren Sijn recht met alder spoet Tot alle sijns vaders goet. Franciscus saen beraden Heeft dit all’ gaen versmaden Met woorden en met daden Wat hem stont te verwachten, Hy dacht ’t zou hem verladen In Christus nauwe paden Die hy op Godts ghenaden Veurnamp in sijn ghedachten. Hy sprack vrij onvermijdt: Mon pere ick schel u quijt Weet dat ghy nu ter tijt Mijn vader niet meer en zijt. Maer nu sal mijnen vader Zijn Godt de soete ader, Mijn herder en bewaerder, Die my veel goedtheyt thoont, Die inden hemel woont. Van desen last ontslaghen Ghinck hy naer Godts behaghen Het cruys ghewilligh draghen In strenghe penitency: Men hoorden hem noyt claghen Wat hy oock moeste waghen Verduldich all’ sijn daghen Naer Godts wil en sentency Vyt Godts liefde minoot Leefden in ‘swerels schoot In armoe swaer en groot
Stantastigh totter doot, Oock het mortificeren Sijns selfs wel alsoo gheren Heeftmen hem sien gheneren. Ootmoedigh sonder gal Bleef hy in ‘swerelts dal. Desen Prince uytghelesen Moet van ons zijn ghepresen, Want Godt heeft hem bewesen Veel gratie boven maten, Hy heeft hem hier beneden Vrymoedich doen betreden Des weirelts quade zeden, En sijnen raet doen vaten. Hy was Godt aenghenaem En droegh in sijn lichaem De vijf wonden bequaem Ter eeren van Godts naem, Als een vroom wapen-dragher, Soldaet en trommel-slagher En eenen stouten wagher, Die nu veur sijnen loon Gheniet des Hemels croon. F.G.S.B.
Cookies on Poetry Cove