De koe.
Als ik des zomers 't veld aanschouw,
Zoo ver mijn oog zich strekt,
Ter regter en ter linker zij
Met weidend vee bedekt.
En als ik 's winters op de stal
De koeijen daar zie staan,
En midden door die lange rei
Zoo rustig heen mag gaan.
Dan denk ik: wel een rijk geschenk
Bezitten we in de koe.
Zij geeft haar boter, kaas en melk
En 't laatst haar vleesch nog toe.
DE EZEL.
DE KOE.