II.
Maar daar komt de Stalknecht weder
En mist rasch het wilde paard;
Angst en schrik doen't hart hem beven,
Als hy in de verte ontwaart,
Hoe de hengst reeds een der Knapen
Van zich afwerpt, die, bebloed,
Hier, vol pyn, thans op het ziekbed
Voor zyn roekeloosheid boet.