Het bedurven huwelyk. Wyze: Is na den oude zang.
Van, Hansje sneed, het koorn was lang.
't Is wie wil hooren een Nieuw-Lied? Als Pier en Lyn ging trouwen, Het Huwelyk was pas geschiet, Of het gong haar berouwen: Den eersten dag, Was 't al gewag, Men deed 'er niet als slompen; En Pier en Lyn, Woû vrolyk zyn, Met Bassen en met Trompen.
De tweede dag, weêr vrolykheid! Met alle soort van Bieren, Zy kreegen daar veel raarigheid, Om 't Huis meê te vercieren:
En zuster Tryn, Gaf een Fles Wyn, Geneever,voor de Boeren, Truy uit de hoop, Zey daar is stroop, Die moetje daar in roeren.
Klaas-Oom, gaf Kuikens in het kot, En Dries-Oom gaf een Verken, En Maartje gaf een moster pot, Een schop om meê te werken; En Janne-Moeij, Die gaf een Koeij, Piet-Oom gaf Schop en Tange; En Pierke Mal, Gaf hun een Val, Om Muize meê te vangen.
Zoo dra de Bruiloft was gedaan, Ging Pier aan 't Commandeeren Waar dat de Meub'len zouden staan, En ging het Huis uit keeren: Lyn, zey heel fyn, Wat bruid gy myn, Dat zyn geen Man's affeeren! Laat myn dat doen, Op myn fatsoen, Zoo als ik zal begeeren.
Lyn hong het Zoutvat in de Schouw, En Pier begon te kyven; En zeide dat hy geensints wouw, Dat het daar in zou blyven: Lyn nam het af, En Pier die gaf, Aan Lyntje, twee soufletten; En Pier sprak fyn, Wat! zult gy myn, Uw Meester, stellen wetten.
Lyn als een duivelin zoo quaat, Zei moet ik dat hier lyden? Zoo gy myn nu nog eens zoo slaat, Zal uw ook niet myden: Pier zey, zwyg stil, Gy zult, (ik wil) Hier myn gebod ontfangen; Ik draag de broek: Daar in den hoek, Daar moet het Zoutvat hangen.
Lyn die trok haare Man in't regt, En liet hem daar voor daagen, Dat hy moest komen voor 't geregt; Om hem daar af te vraagen, Of eenen Man, Gebieden kan,
Of hy mag Commandeeren, Waar hangen moet, Het keuken goet, Begeert te Procedeeren.
Zy Procedeeren langen tyd, Daar wier zoo sterk geloopen, Toe dat zy alles waaren kwyt, De Boel moesten verkoopen: De heele bras, Al wat 'er was, Het Zoutvat, Pot en Pannen; En ook de Koeij, Van Janne Moeij, De Flessen en de Kannen.
Myn Heer de Drost en de Griffier, Die voeren hier het beste; En Lyn en Pier, hiel niet en zier, Van 't eerste noch het lesten. Voor al haar tydt, Haar Meub'len kwyt: De onkost wierd geleezen; En Pier en Lyn, Die waaren 't kwyt, En bleeven als voor deezen!...
Cookies on Poetry Cove